change language


Grafheuvelopgravingen op de Utrechtse Heuvelrug

door David Fontijn en Quentin Bourgeois - (bron: Archeobrief 4 - 2006)

Tegen de heersende norm om alle archeologische resten zoveel mogelijk te beschermen, werden in Rhenen Elst deze zomer 2 grafheuvels gedeeltelijk opgegraven. De Universiteit Leiden, de Provincie Utrecht en de RACM hebben hun krachten verenigd om hier met een minimale ingreep een maximum aan informatie uit te halen. De resultaten zijn zowel bevredigend als zeer verrassend. Een eerste indruk van de bevindingen.

Op de Utrechtse heuvelrug liggen meer dan 400 grafheuvels. Hiervan zijn er slechts 14 op een wetenschappelijke manier opgegraven en gedocumenteerd. Een groot deel van deze grafheuvels viel ten prooi aan schatgraverij, of werd opgegraven maar vervolgens nooit gepubliceerd. De Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden is onlangs begonnen met nieuw onderzoek naar deze grafheuvels. In het kader daarvan zijn enkele van deze heuvels uitgekozen voor een kleine heropgraving.

De oude proefsleuf-opgraving

In 1971 werden er door AWN-leden verschillende grafheuvels ten Noorden van Rhenen Elst opgegraven. Een tiental grafheuvels werd toen onderzocht door middel van een proefsleuf in de voet van de heuvel. Deze resultaten werden nooit gepubliceerd, maar de informatie die beschikbaar was vanuit Archis wijst erop dat we hier te maken hebben met bijzondere grafheuvels.

Uit de twee kleine proefsleuven van de opnieuw te onderzoeken heuvels kwam indertijd al zoveel materiaal, dat er meer vragen werden opgeroepen dan er beantwoord konden worden. Bovendien vonden de opgravers in één van deze heuvels scherven van wikkeldraad-aardewerk (vroege Bronstijd, 2000-1800 voor Chr.), een zeldzaamheid in Nederland. In een andere grafheuvel werd een vuurstenen pijlpuntje gevonden. De vondsten uit deze twee grafheuvels deden ons vermoeden dat we enerzijds met een grafheuvel uit de vroege bronstijd, anderzijds uit het laat-Neolithicum (2500-2000 voor Chr.) te maken hadden. Juist deze periode lijkt cruciaal te zijn in de vorming van grafheuvellandschappen en het ontstaan van grafheuvelgroepen, maar daarvan is nog nauwelijks iets bekend uit opgravingen.

Een nieuwe opgraving

In samenspraak met de provincie Utrecht, Staatsbosbeheer en de RACM werd besloten om in twee heuvels een kleine heropgraving uit te voeren, met de bedoeling meer licht te werpen op de vondsten die de AWN in het verleden had gedaan. Bovendien zouden nieuwe analyses worden uitgevoerd. Zo zijn er systematisch pollenmonsters genomen om na te gaan hoe de omgeving ten tijde van de aanleg van de heuvel er uitzag. Ook zijn er nieuwe dateringstechnieken gebruikt en zijn er verschillende non-destructieve prospectietechnieken toegepast door de RACM.

Om de verstoring zo minimaal mogelijk te houden werd bij de grafheuvel met de wikkeldraadvondsten een kwadrant uitgezet net rond de verstoring van de oude proefsleuf. De laat-Neolithische heuvel werd al aangesneden door een recente greppel en een deel van het heuvellichaam was hierdoor al verstoord. Langs de wand van deze greppel werden er in het heuvellichaam verschillende profielen gedocumenteerd.

Een heuvel uit de vroege Bronstijd

De resultaten overtroffen onze stoutste verwachtingen. De vondst van een extra wikkeldraadscherf kon nu bevestigen dat deze scherven inderdaad van het oude oppervlak onder de grafheuvel kwamen. Spijtig genoeg konden de scherven niet aan elkaar gepast worden, maar het versieringsmotief, de dikte en magering van de scherf laten er geen twijfel over bestaan dat ze van dezelfde beker komen. De scherven zelf waren licht verweerd, wat erop wijst dat ze een korte tijd aan het oppervlak gelegen hebben. De zwakke verwering doet vermoeden dat de heuvel slechts een korte tijd nadat deze scherven hier terechtkwamen, opgeworpen is. De heuvel dateert dus vrijwel zeker uit de vroege Bronstijd.

In deze heuvel werd niet alleen een extra wikkeldraadscherf aangetroffen maar ook een palenrij en een greppel uit de ijzertijd. Deze palenrij en greppel werden van bovenaf in de grafheuvel ingegraven. Hun functie is momenteel nog niet helemaal duidelijk maar vermoedelijk hadden ze iets te maken met de grafheuvel. Enkele parallellen in België en Nederland onderstrepen dit vermoeden. Op Texel is bijvoorbeeld een grafheuvel gevonden waar in de ijzertijd een vierkante greppel van bovenaf in de grafheuvel is ingegraven.

Een laat-Neolithische heuvel?

Ook de vermoedelijk laat-Neolithische heuvel zorgde voor enkele verrassingen. Niet alleen werd er een mooi afgewerkt pijlpuntje uit het laat-Neolithicum gevonden maar verschillende paalsporen onder de grafheuvel getuigen ervan dat deze op een oud nederzettingsterrein opgeworpen is. In eerste instantie werd gedacht dat we hier met een laat-Neolithische nederzetting te maken hadden, maar al snel bleek dat het aardewerk gevonden in de paalsporen onder de grafheuvel niet tot die periode behoorde. Verschillende scherven van grof kwartsgemagerd aardewerk wijzen eerder op een datering in de midden-Bronstijd. Enkele versieringsmotieven doen zelfs vermoeden dat het hier om Hilversum-aardewerk gaat, een aardewerktype uit de eerste helft van de midden-Bronstijd (1800-1500 voor Chr.). Deze vondst betekent dat de grafheuvel in ieder geval na de paalsporen is opgeworpen en dus uit ten vroegste de eerste helft van de midden-Bronstijd dateert. Een crematie-urn die boven in de heuvel ingegraven werd, geeft ons het sluitstuk voor het opwerpen van deze grafheuvel. Het aardewerk is vermoedelijk ook in de eerste helft van de midden-Bronstijd vervaardigd. De crematieresten gevonden bij de urn zullen binnenkort gedateerd worden waardoor er een extra controle op de typochronologische datering komt. De paalsporen onder de heuvel en de urn boven in de heuvel geven ons een tijdsframe waarbinnen de grafheuvel opgeworpen moet zijn. In tegenstelling tot wat eerst gedacht werd dus niet in het laat-neolithicum, maar in de eerste helft van de midden-Bronstijd.

Het vervolg

De resultaten van deze kleinschalige ingreep zijn zeer bemoedigend. Beide heuvels kunnen nu goed ingepast worden in het algemeen chronologische kader. De pollenmonsters zullen hierdoor heel goed de ontwikkeling van het landschap vanaf de vroege bronstijd tot de midden-Bronstijd kunnen schetsen. Het is de bedoeling dat de nieuw verkregen inzichten verwerkt worden in de nieuwe publieke presentatie van de heuvels. Er wordt onder andere gedacht aan een reconstructie van de oorspronkelijke begroeiing.

Beide auteurs zijn werkzaam aan de Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden. Fontijn als Universitair docent in de prehistorie van noordwest Europa, Bourgeois als student-assistent en research master.

Alle foto’s copyright Faculteit Archeologie, Universiteit Leiden en Provincie Utrecht.


Click to enlarge
De proefsleuf van AWN zichtbaar in het kwadrant

Highslide JS
Het wikkeldraad aardewerk, gevonden bij de heropgraving en het AWN-kampje

Highslide JS
Het aanleggen van het profiel vanuit de recente greppel

Highslide JS
Pollenmonsters in het profiel. De pollen op het oude oppervlak onder de grafheuvel geven aan welke vegetatie hier in het verleden stond

Highslide JS
Paalsporen uit de ijzertijd en de proefsleuf van AWN

Highslide JS
De twee pijlpuntjes. Links het laat-neolithische pijlpuntje gevonden bij de opgraving, rechts het vroege bronstijd pijlpuntje, gevonden tijdens het AWN-kampje

Creative Commons Licentie
werk van Ancestral Mounds Project is in licentie gegeven volgens een
Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel 3.0 Nederland licentie.
Gebaseerd op een werk op www.grafheuvels.nl. -