change language


Neolithische bijldeposities in Noord-Nederland

door Karsten Wentink - (bron: Nieuwe Drentse Volksalmanak 2007)

Eťn van de promotie onderzoeken zal zich richten op de biografie van grafgiften en de identiteit van de doden. Eerder onderzoek naar Neolithische deposities heeft uitgewezen dat deze manier van onderzoek interessante resultaten kan opleveren. Het onderzoek dat in dit artikel wordt gepresenteerd richt zich op de betekenis van de grote vuurstenen bijlen van de Trechterbekercultuur. Het onderzoek naar de grafgiften uit de grafheuvels zal op een zelfde manier opgezet zijn.

Al sinds het midden van de vorige eeuw zijn er in de Nieuwe Drentse Volksalmanak (NDV) met zekere regelmaat artikelen verschenen met als onderwerp deposities. Het gaat daarbij om schijnbaar Ďkostbareí voorwerpen die in een ver verleden met opzet werden achtergelaten op vaak ontoegankelijke plaatsen in het landschap, zoals venen en moerassen. Een depot van vuurstenen bijlen langs de Reest was voor S.H. Achterop in 1960 de aanleiding om in de NDV een inventarisatie te publiceren van alle tot dan toe bekende deposities van vuurstenen bijlen. Hoewel er sinds 1960 herhaaldelijk studies zijn uitgevoerd naar dit verschijnsel bleven de motieven van prehistorische mensen om objecten te deponeren nog grotendeels een mysterie. Nu, bijna 50 jaar na de eerste publicatie in de NDV, zijn deze bijlen wederom het onderwerp van studie. Met behulp van nieuwe onderzoekstechnieken en theoretische inzichten is getracht meer te weten te komen over de deposities van neolithische vuurstenen bijlen ten tijde van de trechterbeker(TRB)-cultuur.

Centraal in deze studie staan de patronen die herkend konden worden in de archeologische gegevens. Patronen ontstaan alleen doordat mensen herhaaldelijk bepaalde activiteiten uitvoeren. Het feit dat bepaalde activiteiten herhaaldelijk werden uitgevoerd, betekent dat deze blijkbaar een bepaalde functie en betekenis hadden. Met behulp van verschillende methoden en technieken, waaronder metrische, ruimtelijke en functionele analyse, is getracht meer te weten te komen over het gebruik van het deponeren. Vooral de samenhang van patronen heeft geleid tot een nieuwe interpretatie van de TRB-bijldeposities.

Het onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksprogramma naar de sociale betekenis van vuurstenen werktuigen van dr. A.L. van Gijn (Van Gijn in voorb.). Het volledige onderzoek naar de TRB-bijldeposities is gepubliceerd onder de titel Ceci níest pas une hache. Neolithic Depositions in the Northern Netherlands (Wentink 2006; zie ook Wentink en Van Gijn in druk).

Bijlen uit verschillende contexten

In het kader van het huidige onderzoek werd een uitgebreide inventarisatie gemaakt van neolithische vindplaatsen in Noord-Nederland met de nadruk op vindplaatsen die betrekking hadden op de TRB-cultuur. Dit omvatte onder meer een uitgebreide survey van gepubliceerde vondsten en sites, van waarnemingen gemeld in Archis en van de collecties van verschillende Nederlandse musea (Voor een volledig overzicht zie Wentink 2006, appendix 1). Doordat van alle vindplaatsen ruimtelijke informatie is verzameld kon een uitgebreide ruimtelijke analyse worden uitgevoerd met behulp van een geografisch informatie systeem (GIS). Een dergelijk computersysteem maakt het mogelijk om de data (bevraagbaar) te koppelen aan een veelvoud van cartografisch materiaal.

Van alle geÔnventariseerde bijlen kon uiteindelijk slechts een relatief klein deel worden toegeschreven aan de TRBcultuur. De TRB-bijlen konden worden verdeeld in twee groepen. De eerste groep heeft betrekking op de grote bijlen met rechthoekige doorsnede. Deze uit Noord-Duitsland en ScandinaviŽ geÔmporteerde bijlen konden op basis van technologie en typologie worden toegeschreven aan de TRB-cultuur. De tweede groep is helaas enigszins problematisch en betreft de lokaal gemaakte bijlen die bij gebrek aan goede kwaliteit vuursteen vaak klein zijn en bovendien op basis van typologie of technologie niet exclusief zijn toe te schrijven aan de TRB-cultuur. Bijlen uit deze laatste groep kunnen daardoor alleen worden geassocieerd met de TRB-cultuur wanneer zij uit betrouwbare context komen, zoals graven of nederzettingen. Aangezien nederzettingen in Noord-Nederland helaas bijna helemaal ontbreken, blijven alleen de bijlen uit graven over. Bij de analyses zijn daarom vooral de bijlen uit graven en de geÔmporteerde bijlen tegenover elkaar gezet (tabel 1).

Grote bijlen, kleine bijlen

Eerder onderzoek, onder meer door Achterop en Ter Wal, heeft al duidelijk gemaakt dat de bijlen die doorgaans in Ďnatte contextení, zoals venen, moerassen of beekdalen, worden gevonden afwijkende metrische kenmerken vertonen (Achterop 1960; Ter Wal 1996). Het meest opvallende is dat de TRB-bijlen uit deposities vaak significant groter zijn dan de bijlen die bekend zijn uit nederzettingen of graven (zie tabel 1). Daarnaast zijn deze bijlen vaak niet of slechts deels geslepen. Bovendien gaat het altijd om bijlen die niet lokaal zijn vervaardigd, maar hoogstwaarschijnlijk zijn geÔmporteerd uit Noord-Duitsland of Zuid-ScandinaviŽ. Deze patronen komen overeen met de patronen die konden worden opgetekend aan de hand van de analyse van de huidige dataset. Ook kunnen enkele nieuwe patronen worden toegevoegd aan het verschijnsel van deposities.

Het meest opvallend is de lengte van de geÔmporteerde bijlen. Hoewel van alle bijlen groter dan 15 cm wordt aangenomen dat zij geÔmporteerd zijn, is het opvallend dat vele deze maat ruimschoots overtreffen (Bakker 1979, 80). Een aantal bijlen is zelfs 20 tot 30 cm lang en de langste bijl (Zuidbarge) meet maar liefst 32,5 cm. Algemeen wordt aangenomen dat vuurstenen bijlen van een dergelijke lengte nooit functioneel gebruikt kunnen zijn, dit in verband met het risico op breuken dat toeneemt naarmate de bijl langer wordt (Bradley 1990, Bradley en Edmonds 1993, Tilley 1996, Apel et al., 1995, in: Johansson 2003). Deze aanname kon worden ondersteund door de resultaten van de gebruikssporenanalyse die liet zien dat voor zowel de TRB-cultuur als de bijlen van de Enkelgraf(EGK)-cultuur geldt dat geen enkele bijl langer dan 22 cm sporen van gebruik vertoont. Deze vaststelling leidt tot een bijzonder interessante gevolgtrekking. Wanneer wordt aangenomen dat bijlen groter dan 22 cm (en zeker de bijlen boven de 25 cm!) niet voor functionele activiteiten gebruikt konden worden, betekent dit namelijk dat deze bijlen voor niet-functionele doeleinden werden gemaakt. Van belang is verder dat dergelijke bijlen, naast hun extreme maatvoering, ook vaak ongeslepen zijn. Soms zijn ze echter deels geslepen, maar dan juist met uitzondering van de snede. Opvallend is dat vanuit een functioneel oogpunt juist de snede het enige deel van de bijl is dat geslepen zou moeten worden. Dit lijkt het niet-functionele karakter van deze objecten te onderstrepen.

Zoals eerder onderzoek reeds heeft aangetoond, komen procentueel gezien de meeste langere bijlen uit een natte context (Zie o.a. Achterop 1960; Ter Wal 1996). Van de niet-functionele bijlen (groter dan 22 cm) is het zelfs zo dat zij, voor zover bekend, allemaal uit natte context komen (zie tabel 2). Dit verspreidingsbeeld staat in schril contrast met dat van de bijlen uit graven. Die zijn allemaal kleiner dan 22 cm zijn, het merendeel zit zelfs tussen de 5 en 12,5 cm. Deze groep kleine bijlen bestaat bovendien uit over het algemeen sterk gesleten, bijgewerkte en bijgeslepen exemplaren. Ook uit de functionele analyse bleek dat het hier inderdaad gaat om bijltjes met een praktisch gebruiksleven. Deze werktuigen moeten gebruikt zijn voor allerhande werkzaamheden en vertonen tekenen van keer op keer repareren en aanscherpen. Het gaat hier overigens niet alleen om lokaal gemaakte bijltjes maar ook om versleten import bijlen, zowel van noordelijke (rechthoek-bijlen) als van zuidelijke (ovaal-bijlen) oorsprong. Opvallend is ook dat vele bijltjes uit de hunebedden zijn aangescherpt alvorens zij in het graf zijn bijgezet. De doden werden kortom vergezeld van werktuigen die zij tijdens hun leven waarschijnlijk lange tijd gebruikt hebben, onder meer bij het aanleggen van akkers en het bouwen van huizen.

Speciale bijlen met een speciale behandeling

De grote importbijlen uit de natte contexten vertonen sporen van een geheel ander gebruiksleven. Of het nu gaat om bijlen uit enkelvoudige of meervoudige deposities, de sporen op deze bijlen laten een zeer uniform patroon zien. Hoewel sporen van functioneel gebruik ontbreken, is op bijna al deze bijlen een rood residu aangetroffen. Vooral de snede van deze niet-functionele bijlen lijkt ingesmeerd te zijn geweest met een kleurpasta op basis van hematiet (rode oker). Dat het hier daadwerkelijk om rode oker gaat is zowel met behulp van een gepolariseerd licht microscoop aangetoond, alsook met behulp van rŲntgen-microdiffractie (Van Gijn, Wentink en Dik in voorb.). Met deze laatste techniek wordt een zeer compacte bundel rŲntgenstraling op een plekje residu gericht (fig. 3). Afhankelijk van de kristalstructuur van het residu wordt de rŲntgenstraling onder een bepaalde hoek gereflecteerd. Door de straling op te vangen kan worden uitgerekend onder welke hoek deze is gereflecteerd; dit geeft vervolgens aan welke kristalstructuur daarvoor verantwoordelijk is. In het geval van de geteste TRB-bijl bleek het hier te gaan om SiO2, ofwel kwarts (vuursteen), en daarnaast om Fe2O3, ofwel hematiet.

Naast oker vertonen deze bijlen bovendien specifieke gebruikssporen die aanwezig zijn op alle hogere delen van de bijl. Vooral bij de ongeslepen bijlen kan deze glans worden waargenomen over de gehele oppervlakte van de bijl, met name op alle randen, hoeken en ribben. Dit duidt er op dat het contact-materiaal dat deze glans heeft veroorzaakt het hele oppervlak van de bijl heeft Ďaangeraaktí, met andere woorden de bijl moet omwikkeld zijn geweest met een specifiek materiaal. Aangezien het hier gaat om geÔmporteerde bijlen kan men veronderstellen dat zij tijdens transport ingepakt werden om beschadigingen te voorkomen. Echter het experimenteel ronddragen in een rugtas van stukken vuursteen, ingepakte in verschillende materialen, gedurende een periode van vijf weken, leverde geen noemenswaardige gebruikssporen op. Voor het ontstaan van gebruikssporen is frictie of beweging noodzakelijk, iets dat juist wordt voorkomen door ze zorgvuldig in te pakken. Echter, het in- en uitpakken zelf veroorzaakt wel frictie. Experimenten werden uitgevoerd waarbij stukken vuursteen keer op keer werden omwikkeld en weer uitgepakt in verschillende contact materialen. Deze experimenten resulteerden inderdaad in glans op exact dezelfde plekken als was waargenomen op de archeologische stukken (fig. 4). Kortom, deze bijlen moeten omwikkeld zijn geweest met een bepaald materiaal waarin en waaruit zij bovendien herhaaldelijk werden in- en uitgepakt.

Bij het in- en uitpakken van bijlen moeten we waarschijnlijk denken aan bijzondere objecten die tijdens speciale bijeenkomsten werden uitgepakt ter aanschouwing en vervolgens weerwerden ingepakt. De aard van de glans geeft aan dat een dergelijk scenario zich waarschijnlijk honderden zo niet duizenden keren heeft herhaald alvorens de bijl werd gedeponeerd. Het is etnografisch goed gedocumenteerd dat overal ter wereld voorwerpen met bijzondere krachten ingepakt worden bewaard (Godelier 1999, 113-119; 1990, 82; Weiner 1992, 118; Hampton 1999; Akerman et al. 2002, 23; Paton 1994, 177).

Ruimtelijke patronen

De ruimtelijke analyse (fig. 5) laat zien dat de bijlen vrijwel uitsluitend werden gedeponeerd aan de rand van het veen in beekdalen, dus langs stromend water. Deze deposities vinden we veelal in de buurt van hunebedden (vaak op 1-1,5 km afstand). We kunnen ons daarbij voorstellen dat mensen in de buurt van waar zij leefden zowel graven aanlegden op de hogere zandgronden alsook bijlen deponeerden in de beekdalen op de grens van de hogere zandgronden en het veen. Opvallend is dat in andere veengebieden zoals het grote Bourtangerveen vrijwel geen deposities plaatsvonden. De enige deposities die daar wel zijn aangetroffen lagen in ieder geval langs een doorsnijdend stroompje en mogelijk ook in de buurt van een TRB-veenweg (Smeulbrandenweg; Van der Sanden 2002, 104-106, 109-110).

Hoewel de bijlen die gedeponeerd werden een niet-lokale oorsprong kenden, was het gebruik van depositie zelf voornamelijk een lokale aangelegenheid. De plaatsen waar deposities konden plaatsvinden werden geselecteerd in relatieve nabijheid van zowel begraafplaatsen als nederzettingen. De hunebedden, nederzettingen en akkers bevonden zich primair op de hogere zandgronden. De moerassige laagtes waar de deposities plaatsvonden, kunnen daarom als overgangsgebieden worden omschreven. Deze Ďliminaleí zones zijn vaak omgeven met rituelen en gebruiken die de dubbelzinnigheid van deze gebieden onderstrepen. Enerzijds zullen deze beekdalen gezien zijn als natuurlijke grenzen, zowel tussen verschillende sociale groepen als ook tussen mensen en bovennatuurlijke machten (Fontijn 2002, 265). Anderzijds hebben de beekdalen ook een belangrijke rol gespeeld ten aanzien van transport. Ten tijde van de TRB waren de hogere zandgronden namelijk nog dicht bebost (Spek 2004, 209; Bakker 1982, 114). De beken vormden daardoor een verbindende factor tussen sociale groepen doordat zij transport mogelijk maakten.

Verschillende patronen vertellen ťťn verhaal

Uit het voorgaande blijkt dat er sprake is van een duidelijk gestructureerd ritueel dat in heel Noord-Nederland werd uitgevoerd. Bijlen werden speciaal geproduceerd voor ceremoniŽle doeleinden. Deze bijlen werden nooit gebruikt voor praktische activiteiten. Zij werden omwikkeld in een speciaal materiaal en vervolgens waarschijnlijk tijdens speciale gelegenheden in- en uitgepakt, een verschijnsel dat bekend is uit etnografische studies overal ter wereld. Deze bijlen werden bovendien ingesmeerd met rode oker en gedeponeerd op specifieke plekken in het landschap. Het feit dat deze patronen gelden voor heel Noord-Nederland geeft aan dat er sprake is van een duidelijk gedefinieerd ritueel. Maar hoe moeten we dit ritueel interpreteren? Waarom werden deze bijlen op deze wijze behandeld en waaraan ontleenden zij hun bijzondere status?

In het verleden is het verschijnsel van depositie op verschillende manieren geÔnterpreteerd. Zo zou het kunnen gaan om verborgen schatten of is gedacht aan verborgen koopwaar van rondreizende handelaren. Centraal in deze interpretaties staat de monetaire waarde van deze bijlen. De bijlen werden gezien als waardevol zowel om hun praktische functie als ook vanwege de waarde van de grondstof waaruit zij vervaardigd waren. Deze interpretaties kunnen echter geen stand meer houden. Er is immers aangetoond dat deze bijlen speciaal gemaakt werden voor ceremoniŽle doeleinden. Bovendien werden deze bijlen nooit gebruikt voor functionele activiteiten. Om deposities als verschijnsel te begrijpen, moeten we dus onderzoeken waar de bijzondere betekenis van deze objecten vandaan kwam.

Objecten met bijzondere krachten: uitwisseling van geschenken

Vanuit een westers perspectief zijn wij er aan gewend dat voorwerpen vooral een financiŽle waarde vertegenwoordigen. De principes van vraag en aanbod bepalen of een object waardevol is of niet. Hoewel onze cultuur hier vaak de nadruk op legt, is het een illusie te denken dat dit de enige manier is waarop in onze cultuur objecten waardevol kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan een erfstuk, een trouwring of een geschenk ontvangen van een goede vriend of vriendin. Hoewel deze voorwerpen een monetaire waarde hebben, worden ze vooral gewaardeerd op basis van de sociale relaties die deze voorwerpen vertegenwoordigen.

Wat de genoemde voorbeelden gemeen hebben is dat ze alledrie geschenken betreffen. Hoewel de rol van geschenken in onze maatschappij vaak gebagatelliseerd wordt, spelen geschenken in sociale gemeenschappen een zeer belangrijke rol. De persoon die hier voor het eerst in detail over publiceerde was de Franse sociaal antropoloog Marcel Mauss. Zijn boek ĎEssay sur le doní uit 1924 is uitgegroeid tot ťťn van de standaardwerken binnen de antropologie en tegenwoordig ook binnen de archeologie.

Mauss stelde dat het geven van een geschenk een sociale band creŽert tussen gever en ontvanger. Wanneer een geschenk wordt aangeboden is de ontvangende partij moreel verplicht het geschenk in ontvangst te nemen. Daar komt bij dat de ontvanger vervolgens ook verplicht is om op een later tijdstip een geschenk te retourneren aan de oorspronkelijke gever. Mauss stelde daarom dat er bij het uitwisselen van geschenken sprake is van drie fundamentele verplichtingen; de verplichting om te geven, om te accepteren en om terug te geven (Mauss 2002,16-17). Door het geven van een geschenk ontstaat er volgens Mauss een spirituele band tussen de gever en de ontvanger. Zo wordt door het geven van een geschenk ook een deel van de persoonlijkheid van de gever overgedragen (Mauss 2002, 16).

Het klinkt misschien vreemd, maar we kennen dit verschijnsel ook uit onze eigen cultuur. Wanneer bijvoorbeeld twee personen in een cafť zitten, is het gebruikelijk dat beiden om beurten consumpties voor elkaar bestellen: er is namelijk de verplichting om terug te geven. Als iemand jarig is en een cadeau krijgt is de ontvanger verplicht dit aan te nemen. Ook als het een cadeau is dat de jarige eigenlijk helemaal niet wilde hebben, is deze toch verplicht om netjes te bedanken en het cadeau te aanvaarden: er is namelijk de verplichting om een geschenk te accepteren. Een goed voorbeeld van een voorwerp dat een spirituele band vertegenwoordigt tussen twee personen is een trouwring. Een trouwring is vaak veel meer waard dan zijn gewicht in goud. In principe is na de voltrekking van het huwelijk een trouwring van onschatbare waarde geworden. Zolang het huwelijk stand houdt, kan een trouwring niet verkocht worden: de trouwring vertegenwoordigt namelijk de huwelijkspartner. Men zou kunnen zeggen dat een deel van de persoonlijkheid van de huwelijkspartner gematerialiseerd is in de trouwring. Deze voorbeelden laten zien dat ook binnen onze samenleving geschenken nog altijd een belangrijke sociale rol spelen.

Een geschenk maakt als het ware een sociale relatie tastbaar. Een geschenk moet vervolgens door de ontvanger ook met gepast respect behandeld worden. Volgens Mauss geldt deze theorie voor alle mensen overal ter wereld en in alle tijden. Als wij Mauss volgen, dan moeten deze principes dus ook toepasbaar zijn op het verleden en kunnen zij ons helpen bij het interpreteren van archeologische patronen.

Geschenken kunnen niet alleen uitgewisseld worden tussen mensen onderling, maar ook tussen mensen en bovennatuurlijke machten, zoals voorouders, geesten of goden. Overal ter wereld worden bijvoorbeeld sacrale voorwerpen omschreven als geschenken van bepaalde voorouders, geesten of goden. Daarnaast kennen de meeste religies ook het principe van offeren, waarbij de mens een geschenk maakt aan bovennatuurlijke machten. Het doel van een offer is doorgaans om een wederdienst af te dwingen. Door een geest, voorouder of godheid een geschenk aan te bieden hoopt men dat deze zich vervolgens verplicht voelt om iets van waarde terug te geven. We moeten dan denken aan dingen waar de mens zelf geen directe invloed op kan hebben, zoals het voorspoedig verlopen van een reis of bijvoorbeeld de vruchtbaarheid van mens, dier en gewas.

Naast materiŽle objecten kunnen ook verhalen, dansen, mythes of kennis worden uitgewisseld. Een goed voorbeeld hiervan vinden we bij de Australische aboriginals. Een van de meest belangrijke Ďbezittingení van de aboriginals is de kennis die zij hebben over de Droomtijd. De Droomtijd is een mythologisch tijdsvak waarin de wereld ontstond maar die ook nog altijd voortduurt, als het ware in een parallel universum. De Droomtijd bestaat uit dansen, mythes, verhalen, voorouderlijke kennis en ceremonies. Al deze kennis wordt zorgvuldig overgedragen van de ene generatie op de andere en wordt bovendien uitgewisseld tijdens ceremoniŽle ontmoetingen tussen verschillende groepen (Weiner 1992, 101).

Objecten met bijzondere krachten: onvervreemdbare bezittingen

Wanneer geschenken worden uitgewisseld krijgen deze een bijzondere status. Zo moeten zij met een bepaald respect behandeld worden. Dit komt volgens Mauss doordat een deel van de persoonlijkheid van de gever opgesloten zit in het geschenk. Doordat geschenken onlosmakelijk verbonden zijn met de gever zijn ze onvervreemdbaar. Een voorwerp kan echter op verschillende niveaus onvervreemdbaar zijn. Zo is een verjaardagscadeau tot op zeker hoogte verbonden met de gever, maar een trouwring is als gift nog veel sterker verbonden met een bepaald persoon. Dit heeft ook implicaties voor de manier waarop deze voorwerpen behandeld worden en hoe zij circuleren binnen een samenleving. Hoewel het misschien niet netjes is, kan een verjaardagscadeau in principe zonder problemen worden doorgegeven aan iemand anders. Zolang het huwelijk voortduurt, blijft een trouwring echter een persoonlijke bezitting die niet weggeven of verkocht kan worden.

Onvervreemdbare bezittingen, of het nu gaat om feitelijke voorwerpen of bijvoorbeeld bepaalde kennis, spelen een zeer belangrijke rol in het leven van zowel een individu als een groep. Uitgewisselde geschenken definiŽren bijvoorbeeld welke individuen een sociale relatie met elkaar onderhouden. Daarnaast plaatsen zij mensen en groepen in een historisch perspectief (Weiner 1985), met andere woorden, zij definiŽren ook wat de relatie is die mensen hebben met het verleden.

Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op erfstukken of voorwerpen met een bepaalde historische betekenis. Het bezit van een onvervreemdbaar erfstuk bevestigt bijvoorbeeld de band met bepaalde voorouders. Dit kan zowel betrekking hebben op directe overleden familieleden alsook op mythische voorouders. Bij dit laatste kan men bijvoorbeeld denken aan kroonjuwelen. De bezitters van deze objecten zijn de nazaten van het koningshuis. Het bezit van dergelijke voorwerpen bevestigt in zoín geval dat een bepaald persoon recht heeft op de troon. Vooral wanneer men niet beschikt over geschreven bronnen kunnen bepaalde voorwerpen zo gebruikt worden om bijvoorbeeld de sociale status, identiteit, rang of genealogie van een bepaalde persoon of groep aan te geven.

Objecten met bijzondere krachten: sacrale voorwerpen

Als we onvervreemdbare bezittingen in een hiŽrarchische orde zouden plaatsen, dan zouden volgens de Franse antropoloog Maurice Godelier de sacrale voorwerpen bovenaan staan (Godelier 1999). Sacrale voorwerpen worden als onvervreemdbaar ervaren door een gehele gemeenschap en dit komt door hun verbintenis met bovennatuurlijke zaken. Voorwerpen kunnen bijvoorbeeld sacraal zijn omdat ze bezittingen of geschenken zijn geweest van mythische voorouders, geesten of goden. Daarnaast kunnen het voorwerpen zijn waarvan gedacht wordt dat zij een feitelijke rol hebben gespeeld in bepaalde mythen omtrent het ontstaan en de oorsprong van de gemeenschap.

Indien een gehele samenleving een object als sacraal beschouwt, moet de legitimatie van dit object liggen in het bovennatuurlijke (Godelier 1999, 124). Volgens Godelier is dit een principe dat wereldwijd kan worden waargenomen, en inderdaad is het ook toepasbaar op onze samenleving. In de Katholieke Kerk bijvoorbeeld bestaat het geloof in bepaalde relikwieŽn die een bijzondere kracht hebben doordat ze afkomstig zijn van bepaalde heiligen. Ook teksten zoals de Bijbel of de Koran zijn heilig omdat zij het woord Gods bevatten; hun oorsprong ligt buiten de menselijke wereld. Hierdoor kan de kracht of de betekenis hiervan ook niet in twijfel worden getrokken door mensen.

Bijlen als sacrale voorwerpen

Er zijn verschillende principes geÔntroduceerd volgens welke bepaalde objecten een bijzondere status kunnen krijgen. Maar kunnen deze ook worden toegepast op de archeologie? Kunnen zij helpen bij het verklaren van de ogenschijnlijk irrationele daad van depositie?

De patronen die zijn aangetroffen met betrekking tot de deposities van ceremoniŽle TRBbijlen konden worden waargenomen in heel Noord-Nederland. Deze patronen konden alleen ontstaan doordat mensen verspreid over een groot gebied gedurende een lange periode deze rituelen hebben uitgevoerd. Blijkbaar waren er vaste richtlijnen, regels en conventies waaraan mensen zich moesten houden ten aanzien van de ceremoniŽle bijlen. Deze richtlijnen blijken ook uit de taboes die golden voor deze objecten. Een voorbeeld hiervan is het verschijnsel dat normale bijlen een standaard onderdeel vormden van de TRB-grafset, maar dat de ceremoniŽle bijlen nooit in graven werden geplaatst. Blijkbaar was dat niet toegestaan.

De patronen geven aan dat er consensus was over de nauwgezet voorgeschreven behandeling van de ceremoniŽle bijlen. Uiteraard zal dat ook betrekking hebben gehad op de betekenis van deze bijlen. Bovendien was blijkbaar ook iedereen die deze objecten behandelde op de hoogte van de regels. De betekenis van deze bijlen werd door iedereen gerespecteerd en daarmee werden de regels als legitiem ervaren.

Dit heeft bijzonder interessante consequenties voor de uitwisseling van deze objecten. Indien wij aannemen dat deze bijlen circuleerden als onderdeel van een uitwisselingsnetwerk, dan werden zij alleen uitgewisseld tussen partners die op de hoogte waren van de betekenis van deze objecten en van de richtlijnen volgens welke zij behandeld dienden te worden. Deze gedachte vindt steun in het feit dat er ondanks een gedetailleerde inventarisatie geen ceremoniŽle TRB-bijlen werden aangetroffen buiten TRB-gebied. Blijkbaar is er sprake geweest van een zekere consensus bij in ieder geval een deel van de TRB-bevolking.

Indien een gehele (in dit geval TRB-)samenleving de betekenis van de bijlen onderkent, moet de oorsprong van deze betekenis buiten de aardse werkelijkheid liggen, met andere woorden bij bovennatuurlijke machten zoals geesten of voorouders. Weiner voegt hier bovendien aan toe dat alleen wanneer dergelijke objecten hun krachten ontlenen aan een bovennatuurlijke orde, deze kunnen circuleren zonder hun krachten te verliezen (Weiner 1992, 100).

De oorsprong van betekenis

Als we de theorieŽn van Godelier en Weiner accepteren, moeten de bijlen geassocieerd worden met geesten of voorouders. Maar hoe kan het zo zijn dat deze bijlen door mensen werden gemaakt en vervolgens werden geassocieerd met geesten en voorouders? In dit kader kunnen wij gebruik maken van het werk van Mary Helms. Helms laat zien dat vakmanschap niet alleen te maken heeft met praktische kennis maar vaak ook met kosmologische kennis (Helms 1988). In vele niet-westerse culturen wordt het maken van objecten gezien als een vorm van magie waarbij allerlei bovennatuurlijke zaken komen kijken.

Een principe dat bij volken overal ter wereld kan worden waargenomen is dat het maken van een speciaal voorwerp niet ter meerdere glorie is van slechts de vakman. Meestal worden bij het succesvol maken van een voorwerp de voorouders of geesten geprezen die worden geassocieerd met de uitvinding van de gebruikte technieken. Als voorbeeld hiervan kan verwezen worden naar de disselmakers van Langa in Nieuw-Guinea (Stout 2002). In Langda werden recent nog stenen dissels gemaakt en gebruikt. De dissels werden geproduceerd door een selecte groep mannen die onder leiding stonden van de hoofd-disselmaker. Het ambacht werd uitsluitend overgedragen via bepaalde familielijnen en nam daarbij de vorm aan van een leertraject dat doorgaans vijf jaar duurde. Echter, voor de productie van de grootste en mooiste dissels was een ervaring vereist van minimaal tien jaar. Behalve dat dit leertraject inging op de praktische kant van het steenbewerken, bevatte het voornamelijk kosmologische informatie. Zo werd tijdens het steenbewerken continue de mythische vrouw Alim Yongnum geprezen. Deze figuur wordt verantwoordelijk gehouden voor het ontstaan van de stenen waarvan dissels worden gemaakt, en zij controleert daarom de beschikbaarheid van deze stenen. De stenen zelf worden bovendien gezien als levende wezens. Als stenen vallen of niet breken zoals gepland, dan wordt er gezegd dat de stenen boos zijn. De stenen kunnen vervolgens weer op hun gemak gesteld worden door het fluisteren van hun geheime namen. Na de ígeboorteí van de stenen bestaat het idee dat deze groeien en ouder worden, net als mensen. Oude stenen zijn daardoor bijvoorbeeld donkerder van kleur en sterker dan jonge stenen. Gedurende het gehele productieproces worden de stenen als levende wezens behandeld. Zo zijn er specifieke omgangsregels ten aanzien van de stenen. Wanneer zij bijvoorbeeld op de grond gelegd worden, moeten zij in een bepaalde oriŽntatie liggen, met de top van de bijl wijzend naar de ambachtslieden. Door deze regels in acht te nemen, voorkomen de disselmakers dat de stenen boos worden. Hoewel dit soort informatie in westerse ogen vaak als triviaal en zelfs belachelijk wordt beschouwd, is het voor deze mensen zelf van groot belang. De kennis omtrent het maken van deze dissels gaat gepaard met kosmologische kennis over mythische figuren, geesten en voorouders. De kennis zelf wordt gezien als een onvervreemdbaar bezit. Zij wordt bewaakt en geŽerd en alleen bepaalde individuen binnen de groep komen in aanmerking om hierin geÔnitieerd te worden. De kennis die nodig is om dissels te maken, bevat onder meer verwijzingen naar de mythische voorouders die het ambacht hebben uitgevonden. Deze kennis wordt gezien als een geschenk van deze voorouders en zo ook de objecten die vervaardigd worden met behulp van deze kennis.

Zoals gezegd komen we dit principe niet alleen tegen in Nieuw-Guinea. Het feit dat mensen in het hier en nu bepaalde objecten kunnen maken, wordt wereldwijd vaak gezien als een geschenk van de geesten of voorouders die het ambacht uitgevonden zouden hebben. Indirect worden de gemaakte objecten dan ook gezien als geschenken van deze geesten of voorouders. Godelier voegt hieraan toe dat sacrale voorwerpen ůf direct gemaakt zijn door geesten of voorouders, ůf dat deze gemaakt zijn met behulp van kennis die verkregen is van geesten of voorouders (Godelier 1999, 137).

Bijlen als geschenk van de voorouders

Uitgaande van het werk van Mauss, Godelier, Weiner en Helms kunnen we niet anders dan de ceremoniŽle TRB-bijlen zien als sacrale voorwerpen die hun kracht ontleenden aan bovennatuurlijke machten. Doordat zij gemaakt werden met kennis die verkregen was van geesten of voorouders raakten zij als het ware bezield. Hierdoor werden zij direct na productie al gezien als objecten met een bijzondere kracht en betekenis die volgens speciale richtlijnen behandeld dienden te worden. Gedurende de Ďlevenswegí van deze bijlen werd deze betekenis erkend door allen die hen in handen hadden, totdat zij uiteindelijk, volgens specifieke conventies, werden toevertrouwd aan het veen.

Dat deze bijlen werden gezien als objecten met speciale krachten wordt ook ondersteund door de sporen van het in- en uitpakken. Uit de etnografie weten we dat objecten met bijzondere krachten vrijwel altijd ingepakt en verborgen worden bewaard en alleen tijdens speciale gelegenheden worden uitgepakt om te worden aanschouwd door ingewijde personen. Een voorbeeld hiervan vinden we bij de Baruya in Nieuw-Guinea. De Baruya bezitten sacrale voorwerpen genaamd kwaimatnie (Godelier 1999, 113-119). Deze voorwerpen zijn in het begin der tijden door mythische wezens aan de voorouders van de Baruya gegeven en hebben magische krachten. Deze kwaimatnie worden verborgen bewaard en zijn individueel ingepakt in boombast en samen geplaatst in een net dat vervolgens weer omwikkeld is door een ceremoniŽle hoofdband. Doordat deze objecten verkregen zijn van mythische wezens en voorouders dragen deze objecten een deel van de krachten van deze bovennatuurlijke machten in zich. Het inpakken van deze objecten heeft dan ook niet alleen ten doel om ze af te schermen van ongeÔnitieerde personen, maar ook om de wereld te beschermen tegen hun krachten. Wanneer de kwaimatnie zouden worden uitgepakt dan kunnen deze krachten ontsnappen en dood en verderf zaaien (Godelier 1990, 82).

Deposities in hun culturele context: de relatie tussen hunebedden en bijlen

Hoewel stenen en vuurstenen bijlen een vaak voorkomend onderdeel zijn van de grafgiften in de hunebedden is er in geen enkel hunebed een ceremoniŽle bijl gevonden. Omgekeerd is er in geen enkele meervoudige depositie in natte context een gebruikte Ďhunebedí-bijl aangetroffen. Klaarblijkelijk vormden hunebedden en deposities van ceremoniŽle bijlen exclusieve categorieŽn die niet door elkaar gehaald konden worden.

Hunebedden zijn monumenten waarin na oprichting herhaaldelijk resten van overleden personen en grafgiften werden bijgezet. Zij vormden het toneel van rituele handelingen en deposities. Door deze handelingen werden hunebedden door de tijd heen steeds meer geassocieerd met de personen die er begraven waren en de gemeenschap die deze plaatsen gebruikte. Zij raakten vervlochten met de directe voorouders en geschiedenis van de locale groep die een hunebed had gebouwd en gebruikte. In deze context vormden hunebedden een plaats met een zeer bijzondere betekenis voor een specifieke lokale gemeenschap, een betekenis die niet gedeeld kon worden met andere groepen.

Hierin verschilden zij fundamenteel met de betekenis die werd toegekend aan de ceremoniŽle bijlen. Deze objecten werden niet geassocieerd met de directe voorouders en geschiedenis van een locale gemeenschap, zij werden geassocieerd met geesten of mythologische voorouders die centraal stonden binnen de TRB-kosmologie en gedeeld werden door de gehele TRB-gemeenschap. Deze objecten konden daardoor worden uitgewisseld tussen groepen zonder dat hun kracht en betekenis fundamenteel veranderden. Dit blijkt uit het feit dat deze objecten overal waar zij gingen een uniforme behandeling kregen (in ieder geval binnen Nederland). Verder onderzoek zal echter uit moeten wijzen in hoeverre deze patronen zich doorzetten in andere gebieden van Europa zoals Duitsland en Denemarken.

De betekenis van bijlen

Hoewel de bijlen geplaatst in hunebedden en de bijlen gedeponeerd in venen altijd strikt werden gescheiden, is er ook een verband tussen beide. In beide gevallen gaat het namelijk wťl om bijlen. Als de ceremoniŽle bijl nooit werd gebruikt als bijl en daarbij apart werd gehouden van functionele bijlen, waarom zag hij er dan uit als een bijl? Om deze vraag te beantwoorden moeten we kijken naar de rol van bijlen binnen de TRB-gemeenschap.

Binnen de agrarische samenleving vormde de bijl ťťn van de meest belangrijke werktuigen (Fontijn 2002, 82). Bijlen waren de werktuigen waarmee het land werd ontgonnen en huizen gebouwd werden. Zeker ten tijde van de TRB waren de Noord-Europese zandgronden nog dicht bebost. De bijl was hŤt werktuig waarmee het natuurlijke landschap werd omgevormd tot een cultuurlandschap bestaande uit akkers, graven, paden en nederzettingen. Als zodanig had de bijl de potentie om een belangrijk symbool te worden binnen een agrarische samenleving.

Hierboven is reeds beargumenteerd dat de ceremoniŽle bijlen werden verbonden aan geesten of voorouders. Zij speelden een belangrijke rol binnen de TRB-kosmologie. Het feit dat deze objecten de vorm kregen van ťťn van de belangrijkste agrarische werktuigen geeft aan dat het boerenbestaan geÔncorporeerd was in het kosmologisch systeem. Slechts enkele honderden jaren voordat de TRB-cultuur opkwam in ScandinaviŽ kende men nog een levensstijl die zich grotendeels baseerde op jagen en verzamelen. Hoewel er al ruim duizend jaar voor het ontstaan van de TRB-contacten bestonden met de boeren van Centraal-Europa, had dit de levenswijze van de mensen in Noord-Europa niet wezenlijk veranderd. Pas tussen 4100-3600 v.Chr. vonden er vrij Ďplotselingí veranderingen plaats in ScandinaviŽ die het ontstaan van de TRB-cultuur ten gevolge hadden. Vervolgens verspreidde de TRB-cultuur en daarmee het boerenbestaan zich in enkele eeuwen over geheel Noord-Europa.

Een van de belangrijkste veranderingen die plaatsvonden gedurende deze periode was dat de mensen in Noord-Europa voor het eerst op grote schaal het landschap begonnen te veranderen. De bossen die tot dan toe de mens voorzien hadden van voedsel en grondstoffen werden gekapt en moesten plaats maken voor akkers. Deze verandering zal ook grote ideologische en kosmologische implicaties gehad hebben. Het kappen van bos is niet iets dat zomaar gedaan kan worden. Het bos speelt in vele jager-verzamelaargemeenschappen overal ter wereld een zeer belangrijke rol (Bird-David 1990; 1992). In dergelijke gemeenschappen wordt het bos gezien als een plaats waar behalve jachtwild ook geesten en voorouders wonen. Het wordt als een levend organisme beschouwd dat leven geeft aan de dieren die in het bos wonen en daarmee indirect ook aan de mensen die deze bronnen exploiteren. Deze mensen zien zichzelf doorgaans als kinderen van het bos. Het bos heeft daarmee een vaak centrale positie binnen de kosmologie van jager-verzamelaargemeenschappen.

Het kappen van bos en het ontginnen van land ten behoeve van de landbouw is daarom niet iets dat zomaar gedaan kan worden. Dit kan wellicht verklaren waarom de Noord- Europese bevolking, hoewel bekend met het verschijnsel, gedurende bijna 1000 jaar niets of nauwelijks iets gedaan heeft aan landbouw. De overgang van jager-verzamelaar naar boer heeft vergaande gevolgen voor de opvattingen over de wereld en de kosmos.

Hoe deze veranderingen precies verliepen is moeilijk te achterhalen. Wat we echter wel kunnen zien is dat met het ontstaan van de TRB-cultuur het agrarische bestaan een duidelijke plaats heeft ingenomen binnen de kosmologie. We zien dit bijvoorbeeld aan de rol van de ceremoniŽle bijlen. Ook in andere aspecten zien we dat het boerenbestaan een belangrijke plaats heeft ingenomen binnen de identiteit en kosmologie van de TRB-cultuur. Naast de ceremoniŽle bijlen vinden we dit bijvoorbeeld ook terug in het feit dat gebruikte bijlen een belangrijk onderdeel waren van de TRB-grafset. Daarnaast vinden we in de hunebedden ook met zekere regelmaat vuurstenen klingen die gebruikt zijn voor het oogsten van granen (Van Gijn in voorb. Van Woerdekom in voorb.). Naast sikkelmesjes komen ook maalstenen vaak voor; deze zijn bijvoorbeeld opgenomen in de vloer van enkele hunebedden en ze komen ook voor in de steenzetting van vlakgraven. Ook in de omgreppelde site te Anloo, welke mogelijk een cultische plaats was (Wentink 2006, 47; Van Ginkel et al. 1999, 96), is een complete maalsteen gevonden die gedeponeerd was in een kuil. Hoewel er in de TRB-graven ook andere voorwerpen zijn aangetroffen zoals ornamenten, aardewerk en jachtgereedschap in de vorm van pijlpunten, is het overduidelijk dat het boerenbestaan een duidelijk gedefinieerde rol had ingenomen binnen de TRB-identiteit en -kosmologie.

De ceremoniŽle bijlen moeten dan ook gezien worden in de context van deze veranderingen. Zij maakten deel uit van een kosmologisch systeem waarin voor het eerst het agrarische bestaan een duidelijk gedefinieerde rol had gekregen. Deze kosmologie maakte het acceptabel dat bossen werden gekapt en akkers werden aangelegd. De ceremoniŽle bijlen symboliseren daarmee het belang van landbouw binnen het gedachtegoed van de TRB-cultuur.

Conclusie

Het moge duidelijk zijn dat hier slechts een beknopte samenvatting is gepresenteerd van het volledige onderzoek. Toch is hopelijk duidelijk gemaakt dat de grote TRB-bijlen die vaak afkomstig zijn uit venen zeer bijzondere voorwerpen zijn. Dat geldt niet alleen voor ons als onderzoekers (met een totaal van 37 TRB-deposities zijn deze zeldzamer dan hunebedden!), maar gold zeker ook voor de TRB-mensen die deze objecten deponeerden. Deze bijlen vertegenwoordigden belangrijke elementen van de TRB-kosmologie, waarschijnlijk zelfs in de vorm van specifieke geesten of mythologische voorouders. In die hoedanigheid werden deze objecten overal behandeld volgens een vast protocol.

De hunebedden vormden vaste locaties die verbonden waren met de directe voorouders, geschiedenis en afstamming van een locale groep. Deze betekenis gold voor een specifieke groep en kon niet gedeeld worden met anderen. De ceremoniŽle bijlen daarentegen vertegenwoordigden geesten of mythische voorouders die verbonden waren met de oorsprong en kosmologie van de gehele TRB-gemeenschap. Deze objecten konden niet alleen uitgewisseld worden, zij moesten uitgewisseld worden. De ceremoniŽle bijlen vertegenwoordigden krachten die niet door een locale gemeenschap konden worden opgeŽist door ze bijvoorbeeld mee te geven in een hunebed. De objecten werden gedeponeerd op de overgang van het zand naar het veen, daarmee symboliserend de overgang tussen enerzijds het gebied dat een locale gemeenschap gebruikte voor bewoning, voedselproductie en begravingen, en anderzijds de buitenwereld. Zo werden de bijlen neergelegd in een context die niet exclusief toebehoorde aan ťťn locale groep, maar juist deel uitmaakte van de kosmologie van de gehele TRB-gemeenschap.

Dankwoord

In de eerste plaats ben ik dank verschuldigd aan Annelou van Gijn. In samenwerking met haar zijn de gebruikssporen- en residu-analyse uitgevoerd. Tevens heeft zij haar data aan mij ter beschikking gesteld en een eerdere versie van dit artikel van waardevol commentaar voorzien. Ook van Harry Fokkens en Sake Jager heb ik ongepubliceerde data mogen gebruiken, waarvoor mijn dank. Graag wil ik de mensen van de verschillende musea bedanken wiens collectie ik bekeken en onderzocht heb, BenoÓt Mater (DM), Egge Knol (GM), Ernst Taayke (NAD), Evert Kramer (FM), Leo Verhart (RMO) en Vincent van Vilsteren (DM). Ook wil ik Cornť van Woerdekom bedanken voor zijn kritieken op een eerdere versie van dit artikel.

Literatuur

- Achterop, S.H., 1960: Een depot van vuurstenen bijlen bij de Reest, Nieuwe Drentse Volksalmanak 78, 179-189.
- Akerman, K., R. Fullagar en A. van Gijn 2002: Weapons and wunan: production, function and exchange of Kimberley points, Australian Aboriginal Studies 1, 13-42.
- Apel, J., Y. BšckstrŲm, F. Hallgren, K. Knutsson, P. Lekberg, E. Olsson, M. Steineke en L. SundstrŲm 1995: FŚgelbacken och trattbšgarsamhšllet: Samhšllsorganisation och rituella samlingsplatser vid ŲvergŚngen till en bofast tillvaro I Ųstra Mellansverige, Tor 27:1, 47-1 32.
- Bakker, J.A., 1979: The TRB West Group Ė Studies in the Chronology and Geography of the Makers of Hunebeds and Tiefstich Pottery, Amsterdam.
- Bakker, J.A., 1982: TRB Settlement Patterns on the Dutch Sandy Soils, Analecta Praehistorica Leidensia 15, 87-124.
- Bird-David, N., 1990: The Giving Environment: Another Perspective on the Economic System of Gatherer-Hunters, Current Anthropology 31:2, 189-196.
- Bird-David, N., 1992: Beyond ĎThe Original Affluent Societyí: A Culturalist Reformulation, Current Anthropology 33:1, 25-47.
- Bradley, R., 1990: The Passage of Arms. An archaeological analysis of prehistoric hoard and votive deposits, Cambridge.
- Bradley, R. en M. Edmonds (red.) 1993: Interpreting the axe trade. Production and exchange in Neolithic Britain, Cambridge.
- Fontijn, D.R., 2002: Sacrificial Landscapes. Cultural biographies of persons, objects and Ďnaturalí places in the Bronze Age of the Southern Netherlands, C. 2300- 600 BC, Leiden (=Analecta Praehistorica Leidensia 33/34).
- Gijn, A.L. van, in voorb.: The Flourish and Demise of an Old Technology. The Meaning of Flint for Neolithic and Bronze Age Societies in the Netherlands.
- Gijn, A.L. van, K. Wentink en J. Dik in voorb.: The use and meaning of ochre for prehistoric societies in the Netherlands.
- Ginkel, E. van, S. Jager en W. van der Sanden 1999: Hunebedden - Monumenten van een Steentijdcultuur, Abcoude.
- Godelier, M., 1990 (1986): The Making of Great Men. Male domination and power among the New Guinea Baruya, Cambridge.
- Godelier, M., 1999: The Enigma of the Gift, Chicago.
- Hampton, O.W., 1999: Culture of Stone - Sacred and Profane Uses of Stone among the Dani, Texas (=Texas A&M University Anthropology Series; no. 2).
- Helms, M.W., 1988: Ulyssesí Sail. An Ethnographic Odyssey of Power, Knowledge, and Geographical Distance, Princeton.
- Johansson, P. 2003: The Lure of Origins. An inquiry into Human-Environmental Relations, Focused on the ĎNeolithizationí of Sweden, Lund.
- Mauss, M., 2002 (1924): The Gift. The form and reason for exchange in archaic societies, London.
- Paton, R., 1994: Speaking through stones: a study from northern Australia, World Archaeology 26:2, 172-183.
- Sanden, W.A.B. van der, 2002: Veenwegen in Drenthe: enkele nieuwe dateringen, Nieuwe Drentse Volksalmanak 119, 101-112.
- Spek T., 2004: Het Drentse esdorpen-landschap. Een historisch- geografische studie, Utrecht.
- Stout, D., 2002: Skill and Cognition in Stone Tool Production - An Ethnographic Case Study from Irian Jaya, Current Anthropology 43:5, 693-722.
- Tilley, C. 1996: An ethnography of the Neolithic. Early prehistoric societies in southern Scandinavia, Cambridge.
- Wal, A. ter, 1996: Een onderzoek naar de depositie van vuurstenen bijlen, Palaeohistoria 37/38, 127-58.
- Weiner, A.B., 1985: Inalienable Wealth, American Ethnologist 12:2, 210-227.
- Weiner, A.B., 1992: Inalienable Possessions. The Paradox of Keeping-While-Giving, Berkeley.
- Wentink, K., 2006: Ceci níest pas une hache. Neolithic Depositions in the Northern Netherlands, Leiden.
- Wentink, K. en A. van Gijn, in druk: Neolithic Depositions in the Northern Netherlands, in: T. Cowie, C. Hamon en B. Benedicte (red.), Hoards from the Neolithic to the Metal Ages in Europe: technical and codified practices, Acts of the session of XIth EAA congress, 5-11 september 2005, Cork (Ireland), Oxford (=BAR International series).
- Woerdekom, P.C. van, in voorb.: Flint Assemblages of the Dutch Hunebedden, Leiden.



Download volledig artikel




Click to enlarge
In Drenthe zijn de meeste venen ontgonnen, maar in het Haaksbergerveen (Ov.) kan men de magie van deze plekken nog ervaren. (foto J.G. Boering, Lochem)




Click to enlarge
Bijlen uit het depot van Een, gevonden in 1898 (Collectie RMO, foto Q. Bourgeois, Leiden)




Click to enlarge
Lengte verdeling van bijlen uit grafcontext.




Click to enlarge
Het procentueel aantal bijlen met een bepaalde lengte, gevonden in een natte context en in een droge of onbekende context




Click to enlarge
Opstelling van de micro-diffractie analyse (foto J. Dik)




Click to enlarge
Gebruikssporen op de bijl van Zuidbarge (DMA 1962-II-143), ontstaan door het herhaaldelijk in- en uitpakken




Click to enlarge
Verspreiding van deposities en graven op het Drents Plateau




Click to enlarge
Bijl van Zuidbarge, gevonden in 1962 (Collectie Drents Museum, foto Q. Bourgeois, Leiden)




Click to enlarge
Bijl uit het Depot van Veenhuizen, gevonden in 1966 (Collectie Groninger Museum, foto Q. Bourgeois, Leiden)
























Click to enlarge
In Drenthe zijn de meeste venen ontgonnen, maar in het Haaksbergerveen (Ov.) kan men de magie van deze plekken nog ervaren. (foto J.G. Boering, Lochem)




Click to enlarge
Bijlen uit het depot van Een, gevonden in 1898 (Collectie RMO, foto Q. Bourgeois, Leiden)




Click to enlarge
Lengte verdeling van bijlen uit grafcontext.




Click to enlarge
Het procentueel aantal bijlen met een bepaalde lengte, gevonden in een natte context en in een droge of onbekende context




Click to enlarge
Opstelling van de micro-diffractie analyse (foto J. Dik)




Click to enlarge
Gebruikssporen op de bijl van Zuidbarge (DMA 1962-II-143), ontstaan door het herhaaldelijk in- en uitpakken




Click to enlarge
Verspreiding van deposities en graven op het Drents Plateau




Click to enlarge
Bijl van Zuidbarge, gevonden in 1962 (Collectie Drents Museum, foto Q. Bourgeois, Leiden)




Click to enlarge
Bijl uit het Depot van Veenhuizen, gevonden in 1966 (Collectie Groninger Museum, foto Q. Bourgeois, Leiden)
























Click to enlarge
In Drenthe zijn de meeste venen ontgonnen, maar in het Haaksbergerveen (Ov.) kan men de magie van deze plekken nog ervaren. (foto J.G. Boering, Lochem)




Click to enlarge
Bijlen uit het depot van Een, gevonden in 1898 (Collectie RMO, foto Q. Bourgeois, Leiden)




Click to enlarge
Lengte verdeling van bijlen uit grafcontext.




Click to enlarge
Het procentueel aantal bijlen met een bepaalde lengte, gevonden in een natte context en in een droge of onbekende context




Click to enlarge
Opstelling van de micro-diffractie analyse (foto J. Dik)




Click to enlarge
Gebruikssporen op de bijl van Zuidbarge (DMA 1962-II-143), ontstaan door het herhaaldelijk in- en uitpakken




Click to enlarge
Verspreiding van deposities en graven op het Drents Plateau




Click to enlarge
Bijl van Zuidbarge, gevonden in 1962 (Collectie Drents Museum, foto Q. Bourgeois, Leiden)




Click to enlarge
Bijl uit het Depot van Veenhuizen, gevonden in 1966 (Collectie Groninger Museum, foto Q. Bourgeois, Leiden)
























Click to enlarge
In Drenthe zijn de meeste venen ontgonnen, maar in het Haaksbergerveen (Ov.) kan men de magie van deze plekken nog ervaren. (foto J.G. Boering, Lochem)




Click to enlarge
Bijlen uit het depot van Een, gevonden in 1898 (Collectie RMO, foto Q. Bourgeois, Leiden)




Click to enlarge
Lengte verdeling van bijlen uit grafcontext.




Click to enlarge
Het procentueel aantal bijlen met een bepaalde lengte, gevonden in een natte context en in een droge of onbekende context




Click to enlarge
Opstelling van de micro-diffractie analyse (foto J. Dik)




Click to enlarge
Gebruikssporen op de bijl van Zuidbarge (DMA 1962-II-143), ontstaan door het herhaaldelijk in- en uitpakken




Click to enlarge
Verspreiding van deposities en graven op het Drents Plateau




Click to enlarge
Bijl van Zuidbarge, gevonden in 1962 (Collectie Drents Museum, foto Q. Bourgeois, Leiden)




Click to enlarge
Bijl uit het Depot van Veenhuizen, gevonden in 1966 (Collectie Groninger Museum, foto Q. Bourgeois, Leiden)

Creative Commons Licentie
werk van Ancestral Mounds Project is in licentie gegeven volgens een
Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel 3.0 Nederland licentie.
Gebaseerd op een werk op www.grafheuvels.nl. -