change language


Hoe een natuurlijk duin de laatste rustplaats werd van een prehistorische vorst

door David Fontijn


Bijna 4000 jaar geleden begonnen mensen doden te begraven op het terrein dat we nu “Zevenbergen” noemen. Misschien werd dit terrein gekozen omdat er al een groep van kleine, natuurlijke duintjes lag. Misschien wilde ze begraven worden in de nabijheid van een nog oudere grafheuvel uit de klokbekertijd (c.4500 v. Chr.) die vlak bij het huidige bedrijventerrein “Vorstengrafdonk” lag. In ieder geval werden er verschillende grafheuvels opgeworpen, mooi op een rijtje zoals we dat overal in Europa zien. Temidden van dat rijtje lag een duin dat veel groter was dan de andere duintjes. Vreemd genoeg werd dit duin in de bronstijd niet als begraafplaats uitverkoren, hoewel er wel een langwerpige grafheuvel met meer dan 100 palen omzoomd pal tegen aan werd gebouwd. Kuiltjes met houtskool op het grote duin laten wel zien dat men hier vuurtjes brandde, maar voor welk doel blijft onduidelijk. In ieder geval woonde er geen mensen in de directe omgeving van de heuvels.


Een bijzondere heuvel voor een bijzondere dode

Rond 600 voor Chr. (het tijdstip kan niet preciezer worden bepaald dan ergens tussen ca. 800 en 450 v. Chr) besloot men het grootste - en als enige nog niet tot grafheuvel omgebouwde - duin te gebruiken voor de begraving van een dode.

We konden vaststellen dat de top van het duin volledig van vegetatie werd ontdaan, en halverwege de helling werd een merkwaardige kleine “allee” van palen gebouwd. Dit soort allees kennen we wel van meer grafheuvels en wordt wel als markering van processies bij begravingen geïnterpreteerd. Op de top van de heuvel bouwde men een grote brandstapel van eikehout. Op dat moment lag de Zevenbergen al in een vrij uitgestrekte heide: men heeft dit hout dus waarschijnlijk uit bossen gehaald die wat verderop lagen.


De dode, paarden en wagens

Het maken van een brandstapel voor de crematie van een dode is geen sinecure: het vergt heel wat vaardigheid en geduld om een goed functionerende brandstapel te bouwen, en de crematie zelf kost ook heel wat tijd. We weten in ieder geval dat er een dode, tesamen met allerlei bronzen objecten verbrand is. Het gaat dan onder andere om paardetuig. De meer dan 500 bronzen krammetjes die Restaura uit de gelichte blokken konden bergen horen daar mogelijk ook bij. Het lijkt te gaan om nagels die waarschijnlijk leren teugels hebben versierd. Hoewel we dit nog niet zeker weten, kunnen we denken aan versierde teugels zoals wagenmenners die hebben. De kop van de nagels is met tin bedekt, zodat het om een schitterend, blinkend geheel moet zijn gegaan. De aanwezigheid van zaken die met paarden en wagens te maken hebben, lijkt op het eerste gezicht wat gek. Het is echter bekend dat paarden en (ceremoniële) wagens tot de hoogst in aanzien staande elementen van de elite uit deze periode gerekend moeten worden. Dit heeft mogelijk te maken met een geloof over wederopstanding van leiders na de dood, waarbij wagens een rol gespeeld lijken te hebben in de reis naar het hiernamaals. Dit idee, en de objecten zelf, komt waarschijnlijk uit Centraal Europa, waar we meer van dit soort graven hebben. Het Osse graf is dan ook heel bijzonder, en het is vast geen toeval dat het beroemde “vorstengraf” van Oss dat in de jaren ’30 bij het huidige bedrijventerrein werd gevonden, eveneens paardetuig en importen uit Centraal Europa bevatte.


Na de crematie

Nadat de crematie gedoofd was, heeft men de resten waarschijnlijk omgegooid en vrij secuur naar verbrande botten van de overledene gezocht. Zelfs met het gedetailleerde onderzoek in het laboratorium konden we slechts enkele botresten tussen het verbrande hout terugvinden. De verbrande teugels (?) met de vertinde bronzen krammetjes heeft men in een keer terzijde gelegd en naast de brandstapel gedeponeerd. Erg zorgvuldig ging dit niet, want ook tussen de verkoolde balken vonden we nog talloze bronzen krammetjes. De resten van de dode werden verzameld en waarschijnlijk in een urn gedaan. De urn die we bij de opgraving hebben gevonden zou heel goed de resten van de hier verbrande dode kunnen bevatten, al weten we dat niet helemaal zeker. Volgens de fysisch antropoloog Liesbeth Smits zou het dan gaan om een man die tussen de 30 en de 40 jaar oud was, en waarvan de botten geen sporen van ziektes of aandoeningen laten zien. Dit is interessant, omdat de man die begraven was in het beroemde vorstengraf bij de vorstengrafdonk juist wel aan een ernstige ziekte leed.


De bouw van de grafheuvel

Doordat we handmatig hebben opgegraven en alle informatie zeer gedetailleerd in kaart hebben gebracht, weten we dat de brandstapelresten vervolgens afgedekt werden met forse heideplaggen van meer dan 30 cm in lengte. Die werden boven de resten van de brandstapel zorgvuldig in kruisverband gestapeld, en aan alle zijden omzoomd door schuin geplaatste plaggen. De palen van de allee werden nu afgebroken. Vervolgens heeft men op ingenieuze wijze gebruikt gemaakt van het talud van het duin. Alle oneffenheden in het natuurlijke duin werden weggestreken door depressies vol te storten met plaggen. Maar zelden zijn rijen plaggen van meer dan driehoog geplaatst. Het resultaat is een imponerende grote en hoge heuvel, maar feitelijk gaat het om listig gebruik en opsmuk van een al bestaand duin. Vervolgens heeft men een urn met crematieresten pal boven de brandstapel tussen de plaggen begraven. Het lijkt er op dat dit niet lang na de begrafenis is gebeurd. We gaan er vanuit dat dit de man is voor wie de heuvel is opgeworpen.


Heuvel 7 nu

De dode zou heel lang ongestoord in zijn graf blijven, tot hij 2000 jaar later, in de Late Middeleeuwen gezelschap kreeg van een andere dode, ditmaal een minder hoog in aanzien staande: het slachtoffer van een executie. Nog later, in recentere tijden, koos een das zijn grafheuvel als woonplaats en door een groot toeval bleven de resten van het graf ternauwernood buiten zijn actieradius. Hoewel de omgeving van de heuvel inmiddels drastisch veranderd is, ligt heuvel 7 nog steeds zichtbaar temidden van zijn voorgangers. Een groot deel van heuvel 7 kon in geconserveerde staat bewaard blijven en dankzij een restauratie is de heuvels inmiddels tegen verdere verstoringen beschermd.

Over de opgraving en vondsten van Heuvel 7 is het boekje verschenen "Prins onder Plaggen" geschreven door Evert van Ginkel, met medewerking van Richard Jansen, David Fontijn en Harry Fokkens. Klik hier voor meer informatie en om het boekje te bestellen!





Click to enlarge
Overzichtskaart van de opgegraven grafheuvels en palenrijen bij Oss Zevenbergen


Click to enlarge
De vondsten uit het beroemde Vorstengraf van Oss dat in de jaren '30 werd gevonden (foto: Rijksmuseum van Oudheden)


Click to enlarge
Een paar krammetjes konden in het veld vrij gelegd worden, de meeste werden echter na de bloklichting in het laboratorium uitgegraven en geconserveerd


Click to enlarge
'En bloc' gelicht, kon het graf heel precies worden uitgewerkt in het laboratorium van Restaura


Click to enlarge
Een paar van de krammetjes die waarschijnlijk als versiering op de leidsels van paardentuig zijn aangebracht, in totaal zijn er nu al meer dan 500 van deze krammetjes geborgen


Click to enlarge
De urn die werd gevonden boven de resten van de brandstapel en bevatte waarschijnlijk de resten van de man voor wie de heuvel was opgeworpen


Click to enlarge
De plaggen waaruit de heuvel is opgebouwd zijn duidelijk herkenbaar


Creative Commons Licentie
werk van Ancestral Mounds Project is in licentie gegeven volgens een
Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel 3.0 Nederland licentie.
Gebaseerd op een werk op www.grafheuvels.nl. -