change language


Grafheuvelonderzoek op de Maashorst”

door Richard Jansen & Ivo van Wijk

Onderzoek 1923

Als sinds de jaren ‘20 is bekend dat er op de Slabroekse Heide een prehistorische begraafplaats heeft gelegen. In 1923 is een deel daarvan door de archeoloog Remouchamps van het Rijksmuseum van Oudheden uit Leiden opgegraven. Daarbij bleek dat het een lange biografie heeft gekend: de graven dateren uit de brons- en ijzertijd tot en met de Romeinse tijd (1800 v. Chr. tot 250 n. Chr.). Na de opgraving is het terrein geëgaliseerd en in gebruik genomen als akker.

Op maandag 9 april 1923 rijden twee auto’s de Brobbelbiesweg op nabij het Brabantse gehuchtje Slabroek. Voorop rijdt de auto van dokter Wiegersma, met bij hem zijn vrouw en zijn zwager Mathé Daniëls, archivaris uit Nijmegen. In de tweede auto zitten de Leidse archeoloog dokter Holwerda en zijn vrouw. De beide auto’s stoppen bij een stuk afgeplagde heide, beter bekend als den Galgenberg. Nadat ze zijn uitgestapt wijst Wiegersma met zijn hand: ”Aanschouwt mijne damen en heren, dit is het stuk land welk ik heb aangekocht. Ziet u hoe de grafheuvels nog duidelijk zichtbaar zijn? Het zou toch zonde zijn om dit urnenveld geheel verloren te laten gaan door toedoen van de ploeg zowelk reeds is geschied in de belendende percelen.” [..] Holwerda overziet het geheel en laat zijn goedkeuring horen. “Het zou ons zeer plezieren dat we hier onderzoek mogen doen. Nu ik het terrein in oogenschouw heb genomen denk ik dat het onderzoek een veertien dagen zal duren. We zouden eventueel den eerste juli het werk doen aanvangen. Mijn assistent, de heer Remouchamps zal het onderzoek leidden. Ik zelve zal in de buurt onderzoek verrichten in Netersel en hoop dan zoo nu en dan te komen”.

En zo geschiedde het dat in de zomer van 1923 een archeologisch onderzoek plaatsvond op het perceel van Wiegersma op de Slabroekse heide.
[deze reconstructie is gebaseerd op een briefwisseling tussen Wiegersma en Holwerda met tussen haakjes enkele letterlijke bewoordingen]

In de zomer van 1923 arriveerde Remouchamps dus op de Slabroekse heide, voor de opgraving van het urnenveld. Daarbij hanteerde hij overigens niet zelf de schop en troffel. Daarvoor werden een aantal lokale arbeiders te werk gesteld.

Het onderzoek werd uitgevoerd door middel van de zogenaamde 'stralenmethode' waarbij een aantal smalle sleuven handmatig werd aangelegd over de vindplaats. De locatie werd bepaald door de positie van de zichtbare heuvels en was vooral gericht op de begravingen in de centra. De archeologie in die tijd was sterk gericht op de objecten, voor de samenhang van vondsten met sporen en het landschap was nauwelijks aandacht. De sleuven werden gegraven tot op de ongerepte bodem waardoor de opbouw van de heuvels goed zichtbaar werd. In het overgrote deel waren ze opgebouwd met (heide)plaggen en omringd door een zogenaamde kringgreppel. In negen gevallen was de kringgreppel onderbroken.

Centraal onder de grafheuvel bevond zich in de meeste gevallen een urn met daarin de verbrande menschenbeenderen. Opmerkelijk is het voorkomen van houtskoolplekken op verschillende plaatsen. Onder twee heuvels lagen bij de urnbijzetting een aantal donkere plekken met houtskoolresten, in een geval werden houtskoolresten gevonden aan het uiteinde van de onderbroken kringgreppel. De mogelijke interpretatie als locatie van een brandstapel wordt door Remouchamps uitgesloten, vanwege de beperkte omvang. Hij interpreteerde deze plekken als restanten van offervuren!

Vanuit de grootste grafheuvel zijn straalsgewijs een aantal sleuven aangelegd in het westelijke deel van het grafveld. Deze methodiek is waarschijnlijk toegepast omdat hier de heuvels niet of nauwelijks meer zichtbaar waren. De hoogte van deze kleinere heuvels varieerden tussen de 0 en 30 cm. De oorzaak hiervoor is ten dele te wijden aan het afplaggen van de heide. Daarnaast blijken ook een aantal heuvels door karrensporen te zijn aangetast. Remouchamps moest dus daadwerkelijk zoeken naar de grafheuvels. De straalsgewijze methode bleek wel een succesvolle. In de sleuven werden de restanten van meer dan 20 kleine grafheuvels gevonden. In dit deel van het grafveld werden alleen nog de kringgreppels en in enkele gevallen de urnen teruggevonden. Het ontbreken van urnen wordt door Remouchamps toegeschreven aan het al eerder genoemde afplaggen van de heide.

In totaal werden bij het onderzoek 38 grafheuvels uit de ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd vrijgelegd. Daarbij werden 33 urnen en bijpotjes gevonden, afkomstig uit 22 grafheuvels. Naast aardewerk zijn ook voorwerpen gevonden van vuursteen en metaal. Bij het laatste gaat het om vier bronzen fibulae of kledingspelden, bronsfragmentjes die mogelijk deel uitmaken van een sieraad en enkele fragmenten van een bronzen plaatje. Daarnaast heeft Remouchamps het in zijn artikel over beslagresten van een houten kist en ijzerresten die mogelijk van paardentuig afkomstig zijn. De beslagresten zijn teruggevonden in het depot van het museum, het paardentuig is helaas niet meer getraceerd.

Remouchamps trekt naar aanleiding van zijn onderzoek de volgende conclusies. Ten eerste stelt hij dat het grafveld onder te verdelen is in twee groepen: heuvels die uit plaggen zijn opgebouwd en een tweede groep van, in de meeste gevallen, kleinere heuvels die zijn gevormd door het opwerpen van aarde over de urn. Daarnaast bevreemdt hem de bijzetting van de meeste urnen op het maaiveld. Hij trekt de vergelijking met urnenvelden in de regio waar de urnen wel in de grond zijn ingegraven. Indirect verklaart hij daarmee waarom hij niet in alle grafheuvels een urn heeft gevonden. Deze zouden bij het afplaggen van de heide zijn beschadigd of zelfs geheel zijn verdwenen.

Een laatste opmerking die Remouchamps in zijn artikel maakt gaat over de ´overledenen´ die op het grafveld zijn begraven. Op basis van de urnen concludeert hij dat deze behoren tot een bevolkingsgroep van Gallo-Germaanse oorsprong. Daarnaast zijn er ook invloeden zichtbaar vanuit het Duitse Rijnland. De Germaanse urnen en fibulae dateren uit de Augusteïsche en Tiberiaansche periode, aldus Remouchamps, vernoemd naar vroeg-Romeinse keizers.

Sommige van deze conclusies klinken nu misschien vreemd in de oren maar we mogen niet vergeten dat het onderzoek ruim 80 jaar geleden plaats heeft gevonden. Uit het artikel van Remouchamps is duidelijk de tijdsgeest af te lezen. De nadruk van het archeologisch onderzoek lag voornamelijk op de vondsten en niet op de processen en rituelen die zich voor en na het plaatsen van de urn afspeelden zoals bijvoorbeeld de crematie en het verzamelen van de crematieresten, de bouw van de grafheuvels en de plaats die het grafveld inneemt in een landschap. De vragen die de onderzoekers probeerde te beantwoorden waren van een geheel andere aard dan de vragen die archeologen tegenwoordig stellen. Daarnaast is het kennisniveau sterk toegenomen, inmiddels zijn bijvoorbeeld in Noord-Brabant enkele honderden urnenvelden bekend.

Na afloop van de opgraving werd een gedeelte van het grafveld met bomen beplant, het andere deel bleef braak liggen. In de jaren ‘30 werden door plaatselijke ´liefhebbers´ van oudheden nog enkele complete urnen gedolven uit enkele ongeschonden grafheuvels die buiten de percelen van Wiegersma lagen. Gauw daarna raakt het urnenveld in de vergetelheid. Met de ontginning aan het eind van de jaren '50 komt er een definitief einde aan de fysieke aanwezigheid van het prehistorische grafveld Slabroekse Heide. De heuvelrestanten worden geëgaliseerd en het gehele gebied wordt in gebruik genomen als akker.

Onderzoek 2005

De aankoop van de akker, de bestemmingswijziging tot natuurgebied en plannen voor een reconstructie van het urnenveld waren de aanleiding voor een nieuw archeologisch verkennend en waarderend onderzoek van het gebied. Dit is in september 2005 uitgevoerd door Archol bv, in opdracht van Staatsbosbeheer en onder begeleiding van de rijksdienst. Daarbij bleek als eerste dat het grafveld aan de west- en noordzijde doorloopt. Met name in het westen werd een groot aantal nieuwe grafmonumenten gevonden die mogelijk in 1923 al geëgaliseerd waren. De enig overgebleven grafheuvel in een naastgelegen bosperceel aan de oostzijde bleek sterk verstoord en is zeer waarschijnlijk in het (recente) verleden geroofd. Het grafheuvellichaam werd gekenmerkt door een matige tot zeer slechte conservering. De bodem bleek door de ligging ´onder´ een naaldbos sterk uitgedroogd waardoor in de profielen de opbouw van de heuvel moeilijk zichtbaar was.

De plaggenheuvel kon op basis van pollen en OSL-datering worden gedateerd op de overgang van de vroege en midden-bronstijd. Het vormt daarmee het oudste element van het grafveld. Het is ook de enige heuvel zonder een randstructuur.

Tenslotte kwam er nog een verrassing aan het licht: tussen de grafmonumenten lag een rij van palen, zoals die recentelijk ook in Oss-Zevenbergen zijn gevonden. Vooralsnog zijn deze structuren uniek voor Zuid-Nederland. Een belangrijke, zeer jammerlijke conclusie van het onderzoek was dat de conditie van het grafveld zeer sterk was achteruit gegaan sinds 1923. In de meeste gevallen was er nog slechts sprake van bodemvorming die onder de (verdwenen) sporen had plaatsgevonden.

Bodemdegradatie als bedreiging voor het bodemarchief

De gevolgen van het egaliseren en ploegen was zeer goed zichtbaar bij het onderzoek in 2005. Het originele (podzol)bodemprofiel, zoals dat nog zichtbaar was op de foto’s uit 1923 was volledig verdwenen. Slechts op enkele locaties waren de laatste restanten van de B-horizont (de inspoelingslaag) nog herkenbaar. Dit betekent dat gemiddeld 40 tot 80 cm van het originele bodemprofiel, inclusief de heuvellichamen van de grafheuvels, is verdwenen. Daarnaast werd het vlak doorsneden door honderden ploegsporen, die tot in de C-horizont waren doorgedrongen.

Deze activiteiten hebben duidelijke gevolgen gehad voor de zichtbaarheid van de archeologische sporen, bestaande uit de restanten van kringgreppels die rondom de grafheuvels zijn aangelegd en paalsporen. De sporen waren in het algemeen (zeer) slecht herkenbaar. Het betreft in de meeste gevallen slechts de uitspoeling (als een lichtbruine band) uit de kringgreppels en paalsporen wat betekent dat de daadwerkelijke sporen zijn verdwenen.

Onderzoek 2010

Op basis van de vastgestelde bodemdegradatie is vastgesteld dat behoud en beheer van de grondsporen niet meer mogelijk is, deze zijn er simpelweg niet meer. De verwachting is ook dat deze binnen afzienbare tijd volledig is verdwenen. Hiervan uitgaande is er besloten de schamele restanten van het onderzoek volledig op te graven. Dit heeft niet alleen een wetenschappelijk doel, maar is ook van belang in het kader van monumentenzorg en vanuit een maatschappelijk oogpunt.



Voor meer onderzoek naar grafheuvels in Oss, zie ook www.grafheuvels.nl/oss.







Highslide JS
Het urnenveld Slabroekse Heide opgegraven in 1923





Highslide JS
De opgraving Slabroekse Heide in 1923





Highslide JS
Alle urnen uit het urnenveld Slabroekse Heide 1923





Highslide JS
Urn uit het urnenveld Slabroekse Heide 1923





Highslide JS
De opgraving Slabroek in 2005





Highslide JS
De proefsleuven gegraven in 2005





Highslide JS
Conservering van het (zelfde) opgravingsvlak in 1923 (links) en 2005 (rechts). Een vergelijking met de foto’s van het onderzoek van Remouchamps toont duidelijk aan dat de fysieke kwaliteit van de grondsporen sterk achteruit is gegaan





Highslide JS
Kringgreppels in werkput 1 Slabroekse Heide 2010

Creative Commons Licentie
werk van Ancestral Mounds Project is in licentie gegeven volgens een
Creative Commons Naamsvermelding-NietCommercieel 3.0 Nederland licentie.
Gebaseerd op een werk op www.grafheuvels.nl. -